Dit verhaal gaat over een jongen genaamd Lucas. Lucas is acht jaar en woont op een internaat. Door zuurstofgebrek in zijn hersenen tijdens de geboorte is hij moeilijk lerend en moeilijk opvoedbaar. Zijn vader was vaak dronken. Zijn ouders hadden veel ruzie en zijn gescheiden. Lucas neemt je mee in het dagelijkse leven op het internaat.
Over het leven na het internaat
Na ruim vijf en een half jaar kwam ik, vlak voor kerst in 1987, weer bij mijn moeder wonen. Ik had inmiddels een andere maatschappelijk werkster gekregen. Zij wilde mijn moeder en mij graag een nieuwe kans geven. Mijn moeder wilde dat ook graag proberen. Zelf wilde ik altijd al naar huis; ik verlangde ernaar om weer bij haar te zijn.
In december 1987 was het zover. Omdat ik wat grieperig was, mocht ik een paar weken eerder definitief naar huis. In mijn groep had ik een maatje. We waren ongeveer even oud en hadden een sterke band. We waren als broer en zus voor elkaar. We deden veel samen en zaten op dezelfde school en in dezelfde klas. Zij was sterker dan ik en trok mij in moeilijke tijden altijd weer overeind.
Aan de ene kant was ik heel blij dat ik weg was van het internaat. Aan de andere kant wist ik dat ik mijn maatje zou kwijtraken. Na vertrek mochten we geen contact meer hebben. Zij werd plotseling overgeplaatst naar een ander internaat en een andere school, ver bij mij vandaan. Ik heb nooit geweten waarheen. Pas veel later kregen we via Facebook weer enig contact.
Op een dag ging ik terug naar de groep. Een vreemde jongen deed de deur open. Ik noemde de naam van mijn maatje en zei dat ik voor haar kwam. Hij snauwde dat ze daar niet meer woonde en verhuisd was, en gooide de deur dicht. Op school kreeg ik ook geen duidelijkheid. Boos en verdrietig liep ik weg. Ik voelde me ontzettend eenzaam. Ik liep door het winkelcentrum, waar ik zo vaak met mijn maatje was geweest, richting het busstation.
Thuis wonen was opnieuw wennen. Veel regels van het internaat golden daar niet meer. Dingen als brood eten met mes en vork hoefden niet meer. Toch miste ik mijn maatje verschrikkelijk. Ik voelde me verdrietig en alleen. Jarenlang wilde ik niemand meer van het internaat zien, behalve haar, maar ik kwam haar nooit meer tegen.
Door alles wat ik had meegemaakt ontwikkelde ik problemen in mijn sociale vaardigheden: het aangaan en onderhouden van vriendschappen en relaties. Ik was veel alleen, had geen vrienden en zat vaak op mijn slaapkamer. Ik had een trauma, een negatief zelfbeeld, woede-uitbarstingen, stemmingswisselingen en weinig vertrouwen in andere mensen. Ik was dwars en boos. Later werd vastgesteld dat ik autisme heb, zonder verdere toevoegingen. Vroeger noemden ze dat “moeilijk opvoedbaar”.
Op school in Tilburg werd ik gepest en getreiterd. Mijn moeder deed haar best om het thuis zo fijn mogelijk te maken. Op vrijdagavond keken we samen televisie en met de feestdagen maakte ze het extra gezellig. In vakanties nam ze me mee naar steden, musea, dierentuinen, attractieparken en familie. Toch had ik het erg moeilijk. Ik was boos op het internaat en op wat mij daar was aangedaan, en boos omdat ik mijn maatje kwijt was.
Jarenlang heb ik met de gedachte rondgelopen dat ik een groepsleidster die mij had vernederd ooit ter verantwoording zou roepen. Dat is nooit gebeurd, maar de boosheid zat diep.
In 1997, ik was toen 24 jaar, ging ik op mezelf wonen. Ik verlangde naar vrijheid en kon thuis niet langer blijven. Ik wilde niet erkennen dat ik een trauma had. Ik kreeg een flat in een slechte buurt, waar ik situaties meemaakte die ik alleen van televisie kende. Er werd begeleid wonen aangeboden, maar dat weigerde ik. Ik had genoeg van bemoeienis en toestemming moeten vragen voor alles. Ik wilde geen “geval” meer zijn en had geen vertrouwen meer in hulpverleners.
Ik was depressief, verwaarloosde mezelf en had een zeer negatief zelfbeeld. Ik at slecht, was te mager, had huilbuien en driftbuien en weinig zelfvertrouwen. Ik zag mezelf als een mislukkeling. Ik had geen werk en moest leven van een uitkering.
Op straat werd ik uitgescholden en uitgelachen. In grote steden zoals Amsterdam en Rotterdam voelde ik me veiliger. Ik liep veel en bezocht soms musea. Geld had ik nauwelijks; soms had ik bijna niets te eten. Toch probeerde ik, al was het maar af en toe, iets leuks te doen. Fietsen was daarin heel belangrijk voor mij.
De feestdagen waren altijd lichtpuntjes. Hoe depressief ik ook was, ik vierde altijd Sinterklaas en Kerstmis. De kerstboom zetten gaf me iets om naar uit te kijken. Later kreeg ik werk bij een technische dienst en had ik voor het eerst salaris. Ik spaarde en ging alleen op vakantie naar Aruba.
Langzaam kreeg het trauma minder grip op mij. Ik begon positiever over mezelf te denken. Ik ging zelfs weer langs het internaat. Eerst voelde ik walging en boosheid, maar dat nam af. Sinds 2007 kan ik erover praten en schrijven. Het zijn herinneringen geworden.
Ik werd medebeheerder van een Facebookgroep voor oud-bewoners en medewerkers. In 2021 kreeg ik via die groep een tip over het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Ik diende een aanvraag in en kreeg een bedrag toegewezen. Voor mij was dat erkenning voor wat ik had meegemaakt.
Ik heb veel tegenslagen gekend, maar ik ben een strijder. Ik heb altijd gevochten voor een beter leven. Ik ben mezelf gebleven, ondanks alles. Ik laat me niet vormen door wat anderen vinden dat ik moet zijn. Mijn leven is niet makkelijk geweest, maar ik heb het overleefd.
Ik heb geleerd om door te gaan en niet op te geven. Ik heb vergeven, maar niet vergeten. Mijn verleden is een onderdeel van mij, maar het bepaalt mij niet meer.
Nu kan ik ermee leven. Ik schrijf en vertel erover. Het zijn herinneringen. Ik ben sterker geworden door alles wat ik heb meegemaakt.
Auteur: Pieter-Jan
(Gebaseerd op een waargebeurd verhaal)
Reactie plaatsen
Reacties